272
niétbewerker, maakte je geregeld, in al die armoe, crisis en werkeloosheid, je kop mesjokke mit polle-tiek; mit Joodsche polletiek van Snoogebestuur en mit polletiek van... nou ja, van die wis ze véél!... van de
Esse Dee Aa Pee...... A nega!...... As zij maar de
Gewreman kon betalen! Salomon was nou eenmaal ״groot" in de polletiek. Maar wie, as je nie te vrete heb en geregeld zwart zag van de zorge... wie heb er nou kop om over Zuid-Afrika te sjmoeze?... Wist ze
veel van Kamerleje en Bestuurs...... en ruwmart......
Eppes voor oome Salomon, gróót en rumoerig in de polletiek, maar gróóter nog in de sof en sjwiejenieje-lijjerij... Verfrommelde „als" maar zijn bakkebaardjes!... Tegenwoordig klonk oom Salomon's stem gedempt en dof, als roffels op een gerouwfloerste trom; verklaarde hij iederen dag al droever:
— Addeproi, ik bin zoo blij dat ik blij bin,......
versta wél!
Rebecca zélve leefde in een heel vreemden toestand; in een sfeer, die haar aan droom en werkelijkheid zacht-huiverend ontrukte. Voor haar een gansch nieuw levensgevoel. Zij had iets gedaan! Zij had zich van een marteling vrijgemaakt. En erna, zich niet gescheiden van Uriël en van binnen, niet van Josua. Ondanks haar smartelijke ellende om rampzaligen vader Josua, kon zij éven, heel alleen, wel eventjes glimlachen. Want het zoet-innige, het wonderlijke liefde-verlangen naar Uriël, was door het vreeselijk gebeurde thuis, weinig geschokt. Na den dag van vader's bewustelooze ineenzinking, — hoe lief en vol overgave was Reintje Plukker toén bijgesprongen, — had zij dadelijk Uriël telefonisch ingelicht. Uriël kreet van ontsteltenis; wilde onmiddellijk, jongensachtig-onstuimig, Rebecca en Josua spreken. Maar Rebecca verzette zich geprikkeld en zenuwachtig. Zij werd
Gewreman: bode van het begrafenisfonds. — Sof en sjwieje-nieje: ellende eon broodsgebrek.