270
viool weer te pas. Maar liever blies hij met een stop in den trompetbeker. Dat gaf een gek-mooi geluid... Konden hij en de jongens gaan slempen en zwelgen, wanneer het zoo geviel... Eindelijk was het vunze gewroet en het maniakke gezanik van vader tegen de Rozenheims gedaan. Zij kregen plotseling allemaal groot ontzag voor Rebecca; voor het zoogenaamd onschuldige gansje...
— Addesjim,... schoot Jaap uit,... 'n linksche van 'n kind op 'n base-ball...
— Lieg je,... treiterde zijn tweelingbroer,... mag je op de goepa komme toetere op je alt-saxefoontje...
— Breng je glimmertjes mee voor de nichies......
hoonde Sem.
— Addesjim...... slaan zik je stinkrijke oom an
mosterd,... maak ikke me-eige kwaad,... gierde Moos weer.
Er was daemonische voorpret, meedoogenloos tegenover Josua. Nou zou er tenminste poen rollen!
Sem schreeuwde en schaterde het gulzig-heet uit:
— Addesjim, geknipt!... Krijge wuilie an 'n rijke zus!... De spaarpot van oome Henri opegebroke bij de Hereira's... hahaha!... Addesjim wat 'n gijn!... Nöjanönee... hè ouwe uil?... Koope je dievebende
veur jou prevé, de heele Zandstraatkerk...... eige
snooge... nóh?... Hê-je effe de ruimte?...
Zuster, weduwe Esther Aboab da Fonseca deed met weerzin, in plaats van Rebecca, Josua's huishouden, en Rebecca woonde zoolang bij tante Truddie, in de Moddermolensteeg, éénhoog-vóór! Mocht zij fijn, den heelen dag, koekeloeren door de kleine, halfgekleurde ruitjes. Zag zij 's middags alles roze en 's morgens alles blauw!
Tantetje beschermde Bekkie op haar manier, tegen Josua's smartelijke uitvallen en krankzinnige beschuldigingen. Tantetje kon zelfs onverwachts spin-nijdig
Goepa: huwelijksplechtigheid. — Glimmertjes: boksmedaljes.