269
— Want, bij godallemachtig,... anders stompe we jou d'r uit en je komp er nooit meer in, verstaan?...
Ook giftig-kippige Moos, ook Jaap en Bram eisch-ten spektakelend en schimpend, dat Josua Rebecca weer terug zou laten roepen. De jongens, alle vier, juichten onbekommerd tégen Josua's verpletterdheid in, dat de meziek van het Vondelpark, Rebecca zélve, er een Rozenheim had ingehaald!
Bijziende Moos, uitgeslepenste van de broers, weinig minder wreede vader-kweller dan Sem, al mishandelde hij Josua niet lijfelijk, hoonde grimmig:
— Akiaay....... je gansie van 'n Bekkie heb gekwaak!... Nou ken je jeuke in je baardje zooveel je wil... Ja, ze heb tante Dwergdrokkie noodig!... Ze heb haar eigen sjiddisj gemaak... Ze is nijs genogt... Staant je verstand daar nou nie van stil?...
En hij loerde kippig naar zijn vader. Zijn giftig-jaloersche natuur wrokte zélfs op Rebecca, al hield hij van zijn mooie zus en al glommen zijn zwarte oogen als steenkolen, wanneer hij haar wilde zoenen...
Jaap verachtte wel Sem's liederlijk, laf-gemeen slaan van vader en hij bedreigde hem steeds opnieuw met
zijn hamerharde boksknuisten....... maar nou had
krabbedaaier Bullebak toch gelijk. Vader was een kleffe zeur geworden, die ze allemaal in het ongeluk stortte met zijn vrome narrisjkat! Al was Rebecca's loopen met Uriël een mokerslag voor zijn vriend Dennie Goudswaard, — zij had altijd naar zijn blonde kuif, zijn witte tanden en zijn lieven lach gekeken, — heimelijk voelde hij toch trots in zich zwellen, dat een zoon van millioenair oom Henri Rozenheim, zich om zijn zuster bekommerde. Nou kon hij misschien beroepsbokser worden en zich vormen naar het ideaal: Gene Tunney. Of sparring-partner-chauffeur bij Dempsey. Of beroeps-bander. Alles was hij nou al: banjoïst, guitarist, string-basspeler. Soms kwam zijn
Sjiddisj: huwelijk. — Nijs: bij de hand; opgeruimd. — Krabbedaaier: vechtjas.