268
misselijker, met zijn kwijlerij over dien ,,frotten" Igmaniz, dien vromen gannef; over zijn geloof en zijn snooge. Hij wou wel van alle tempelhout, brandhout hakken. Sem gierde om Josua's streng-ritueel vieren van Sabbath en feestdagen...
— Er staant geschreve... loof de Heer mit pauke!...
Nöjanönee...... Daar, nou hei-je pauke...... van je
Bekkie... volop dijn!... Vreet jij je nou maar 'n barsting an cateleite... Ze zit stiekem te michele mit 'r vrijer...
Sem begreep maar niet, dat zoo een nul, zoo een vrome warkop, die zwoegensmoê, bijna geen spie meer inbracht, nog zooveel Pottegiezen-babbels tegen een beeld van een meid als Rebecca, waagde te hebben.
— Sjniks op niks... nöjanönee!
Hij krijschte in razernij-drift en dan weer valsch-sarrend naar Josua toe:
— As... as ik wil, ouwe... as ik wil, Jozewa de Zwijger,... breng ik me blonde sjikse, sehaglis mee in me onkie... nöjanönee!... Of wullie late je zik hier alléén sjtrekke... ka je mit me solletje poekele......
Josua kromp weer ineen voor Sem's heesch-brullende stem. Ze doorscheurde hem; ze suisde en kookte zijn angstige ooren in. Bekkenslag op bekkenslag knalde in Josua's zieke hoofd los. Ook in het
gezin van Bethuel had Laman het hoogste woord......
Maar in verwarring bracht de booze schemper hem toch niet, al griefde hij Hereira bij iedere uitschelderij.
Sem ontblootte hijgend den harigen stierennek. Zijn barbaarsche eelthanden, groot en dreigend, zwaaiden wild. Heesch krijschte hij:
— Denk 'r om, paaaader,... dat je zik an je stuk meziek van 't Vondelpark weer hier terug laat komme... Dan vast je maar 'n dag extra!...
De Ezau grijnsde even duivelsch en beet er nog uit:
Gannef: dief. — Dijn: pret. — Cateleite: soort van lange peenen. — Michelen: lachen. — Sehaglis: met opzet. — Solletje poekele: petje spreken. — Onkie: eentje.