ACHTSTE HOOFDSTUK.
I.
In Josua's gezin was, door misverstand en bekentenis van Rebecca, een alles ontwrichtende ommekeer ontstaan.
Josua, in waanzinnige verstarring, weigerde zijn dochter te zien. Hij scheen in enkele dagen een beverig-ouide stumper geworden. Josua ademde in een duistere ijlte, van allen troost en godsgeluk verlaten. Wat hem het heiligst geweest was, in zijn leven, in zijn vroomste gedachten, scheen in een donkere diepte van afschuw en walg verzonken. Zelfs de sjofarklank hoorde hij niet meer.
Grimmig-grijnzende Sem, zijn tabakspijp den wreed-wulpschen, ronkenden mond ingeknauwd, vloekte en dreigde boosaardig. Zijn heesche venters-stem schuurde rauw langs schichtigen Josua heen. Eén keer zelfs sloeg hij, dol-woedend, vader Hereira in het ziek-uitgemagerde gezicht.
Josua verschrok van het monsterlijk-brute in Bullebak. Hereira struikelde hulpeloos en verdeemoedigd achter het potkacheltje en kreunde van pijn...
Sem Bullebak had nu zélf een meisje; een knappe
blonde sjikse...... Hij wou! Lekker zijn bedeesde
״Pappie" tarten...
Sem gierde weer om de malle, huichelend-vrome fratsen van zijn Pottegiezen-vader...
— Bij me kin's gezond... belam... je mos inpakke ouwe... Je heb de leeftijd!
Sem grinnikte. Zijn gele kop glom. Hij kreeg al erger lak aan Hereira's schijnheilig, kliederig bidden en strooplikken. Hij vond zijn vader al klammer en
Sjofar: bazuin. — Kin, voor kind: spotvloek. — Belam: goed.