265
— Onze Lieve Heer, spaar vader, nu ik bekénnen moet... Eeuwig, eeuwig zal ik u danken!...
Zij zweeg, berooid van allen spreekmoed.
Weer herhaalde Josua:
— Is... is 't dan zóó iets verschrikkelijks, me lieve engel?... Heb ie zoo iets ergs misdaan tege God en gebod?...
Josua kon, kón maar niet begrijpen. Was hij zelf nou zoo een gamoor?...
De drukkende dofte omzwachtelde zijn gevoelige en roezemoezige hoofd. En toch wou hij nu wéten.
Rebecca streelde, even wegdroomend, de fijne brauwtjes. Toen klonk ineen haar jonge stem, erbarmend en toch zielsvast, tooverachtig bezield van een geluksgedachte aan moeder-zaliger en aan Uriël:
— Vadertje... schrik niet!...
— Wat... wat bedoel je?...
De stoel kraakte en kreunde. Bevende Josua poogde op te staan.
— 't Is... Uriël!
Josua sperde wijd de hei-lichte oogen. Zijn wimpers knipperden van angst. Maar met dóóde stem, geheel besefloos, herhaalde hij:
— Uriël?... Wie... wie is Uriël?... Wat Uriël?... Wat?... Wie... is dat?...
Hij beefde weer, zijn gezicht grauwde in groeven. Zijn lichte oogen vonkten vuur. Hij voelde, dat een verschrikkelijk noodlot, een ongeluk, hem zou grijpen, óp hem zou vallen als een neerstortende balk uit een
brandend huis...... En toch, zonder hoop, wilde hij
weten.
Rebecca verbleekte erger nog. Zij bukte haar hoofd.
Haar stem zong bijna, erg ontdaan en stil:
— Uriël, vader,... Uriël,... de zoon van... oom Henri Rozenheim...
Rebecca onderbrak haar zin.
Gamoor: domkop.