263
Josua troostte en liefkoosde haar met bijna onhoorbare, engelzachte stem. Alles in zijn geloovige ziel drong op:
— Stil maar, kindje,... wat is er nou, kindjelief?... Kindje... kindje!... Wat gebeurt 'r mit je?...
Hij rilde.
— Niks vader, niks... maar...
— Wat dan, mijn alles?...
— Nee... ik ben 'n beetje de kluts kwijt!
Josua, ademloos, bad in stilte tot den Almachtige.
Wat gebeurde er toch met zijn beschermengel? Haperend weer vroeg hij:
— Kluts kwijt?...
Rebecca knikte.
— Waarom?
— Ik dacht... ik dacht eigenlijk dat u alles wist, vader... Ik... ik dacht... dat ze u alles hadden verteld...
Josua's naïeve gezicht trok weer grauw en diepe geulen groefden om den mond. Hij ontzette van Rebecca's verwezenheid en schrik-bleekte.
Moest er zóó iets ergs volgen?...
— Alles?...... vroeg hij nauw hoorbaar, licht
kreunend en in zijn baardje krassend... Ja... ja,... docht ik 't niet... docht ik 't niet!...
Toen strompelde Josua, als gebroken, naar zijn stoel, met de beefhanden in elkaar verkrampt. In zijn oermenschelijke Gods-overgave, besefte Josua onmiddellijk, dat de Eeuwige hem zwaar beproeven wilde voor al zijn zondige daden en gedachten. Hij stamelde er weer uit, onder angst-schuwe verpletheid, inge-bukt-mompelend naar den vloer:
— Docht ik 't niet!... docht ik 't niet!... Tóch 'n goy?......
Rebecca's oogen keken door een sterrelend tranenwaas heen naar Hereira. Eerst op dit vreeselijk oogen-blik besefte zij, dat vader, nu hij niet wist met wién