262
maar niet met wié. Het ergste, het ontzettende, dat wat hem zou vermorzelen, wist hij dus tóch niet. Daarom was hij zoo gemoedelijk en vergevensgezind gebleven. Wat moest zij nu beginnen? God, god,... wat een brandende benauwenis en wat een ontgoochelende tuchtiging van haar argeloosheid. Daarom was vader's onwrikkelijke wezen tegenover de Rozenheims, alleen smartelijk-stil en zonder uitbarsting gebleven. Vader wist niet met wie, met wié!... Kon zij nü maar Uriël hierheen tooveren. Stonden zij alletwéé voor het afschuwelijke, vader zoo geteisterd te zien; zoo ontroerend-hulpeloos...
Angst en wanhoop gilden stil in Rebecca. Zij bleef weer staan. Radeloos-in-eerbied en schaamte keek zij naar Josua's ingevallen kindergezicht. Hereira merkte, eenigszins verbijsterd, de verwarrende verandering in Rebecca. Haar gezicht trok groenachtig-wit. Zij stotterde en trilde. Alles aan haar werd deerniswekkend. Nu keek Josua heel bang en begon zijn blauwige onderlip te beven. De zware mondgroeven zogen schaduw. Hij begreep er niets meer van. Was zijn vraag dan zóó iets naars en benarrends?
Rebecca bad gejaagd in stilte en smeekte den Eeuwige, in dit angstige moment van razenden ziele-nood, om bijstand. Ook haar moeder!... Rebecca wist niet, hoe het Josua te zeggen, na al wat hij had doorstaan, zóó dat hij geen beroerte zou krijgen! Maar tegelijk voelde Rebecca, dat zij, hoé ook, het vreese-lijke nieuws moést uitbrengen. Vandaag dóórliegen, zou de laagste huichelarij zijn, die zij kon begaan.
Toen Josua, zelf geschokt, den koortsigen angst en de benarring van zijn dochter al bevreemdender ontwaarde, stond hij onverwachts, hulpklaar vóór Rebecca, die uitgeput neerzakte op een stoel, tegen den muur. De goudbrandende oogen staarden weer wijd, verzonken.