259
Rebecca. Zij sprong op, stond weer hoogbeenig, kaarsrecht en fier-slank overeind. Het kastanje-vonkerige haar sprong verward-los over haar heerlijk gezichtje in een blasrooden lichtkrans. Zij snakte naar God. Haar stem zong weer helder en bezielend. De satijnzachte wangetjes vingen weer kleur. Toen, ineen, zoende zij Josua's uitgemagerde gezicht vol en ook zijn grijze, lieve oogen, die weer lichtten als aluminium.
Rebecca voelde, dat een vreeselijke, akelige benauwing van haar verkommerd wezen was afgevallen. Zij begreep, als op den avond van de tweede ontmoeting met Uriël, niet wat met haar gebeurde.
Hoe kwam die afschuw voor de Rozenheims zoo wonderlijk-onvoorbereid verdempt in vader?...
Rebecca herkreeg weer haar bezinning en het geheel onbewuste, uit zichzelf-voorname. Zij knoopte een bont halsdoekje,— argeloos liefde-geschenkje van Dennie Goudswaard, — los van haar blank-hoogen hals. De lipjes smakten zacht, vochtig-rood. Zij kreeg het zoo warm in het, toch kille kamertje, waar nog turfwalm talmde.
— Vadertje... va...va,... dat u 't nou tóch goed vindt!...
Haar klankstem dankte met smeeklijke innigheid en haar sereen gezichtje lichtte.
Stuntelig-ingebogen zonk Josua weer terug in den stoel. Zijn keppeltje verschoof onrustiger van kruin naar voorhoofd...
— Sjimjismereine... Wat had hij wél, wat had hij niét goed te vinden?... Was hij zoo een kenéga? Dat mankeerde er nog maar aan. Zij bleef toch meesteres over haar eigen hart!... Zijn bloedend wroegen en benauwen, zijn verstikkende schaamte en smart over het verleden hoefden haar jonge hoofdje toch niet altoos te bezwaren? Zij hoefde hem toch niet eeuwig
Kenéga: lastpost.