258
benie, gezegende engel... dat binne toch de wondere van het vaderhart... Maar, maar ken je je vader dan
heelemaal niet meer?...... Ikke uitbarste, ikke tegen
jou... me goeie engel van me?...
Beverig-zwak sprak Josua door; zielsverblijd, dat zijn gebensjte kind, zijn Bekkie, eindelijk haar kuische hart voor hem geopend had. Hij zei haar, hoe de Almachtige ieder schepsel zijn grens aangaf. Hijzelf, gewoon mensch; een borrelende waterstoof, vermocht niets meer op haar, Zijn verdriet wél!... Hij wou zich in haar drang, daad en keus niet verdiepen. De Onzichtbare had vóór hem al gezien. God's adem omzweefde hem weer. Bekkie had zich ook nooit gemengd in zijn geheim, zijn binnenin-stille vervoeringen bij het luisteren naar gezang en orgel van de Zandstraat-kerk en in zijn zalig heimwee naar het tijde-looze.
Er gloeide liefde, alleen loutere liefde in Josua's ontroerd-bevende stem. Rebecca was altijd zijn stille troost geweest, zooals haar moeder. Had hij het niet immer Rebbe Herschel en meneer Igmaniz voorgehouden?
Rebecca overduizelde angstgeluk. Wat? Wat? Vader wist, had van haar saamzijn met Uriël gehoord en berustte al half?... Vader was niet uitgebarsten, zoo angstwekkend als tegen de tergende jongens, wanneer ze over een Rozenheim begonnen? Heelemaal onkenbaar verwrongen van smartelijke woede werd hij dan... God, god, wat een vreugde, wat een heerlijke opluchting, bij al het rampzalige verdriet, dat hij om haar heimelijkheid had doorstaan! Wat een goddelijke oplossing... Neen, neen, zij moést het toegeven, zij kende haar vadertje niet in zijn menschelijkste, diepste mededoogen. Zij dacht dat hij, vanzelfsprekend, haar zou verafschuwen...
Een hevige, emotioneele spanning ontlaadde zich in