256
Onverhoeds klonk haar de eigen ontroerde stem in de ooren. Wonderlijk-angstig en toch opgelucht vroeg zij:
— Van wie wéét u 't?...
Zij stootte het er snel en trillend uit, over haar eigen moed verbaasd.
Josua opende met smartelijke wils-inspanning den geklemden mond. Pleisterbleek trok Rebecca's gezichtje van meelij. Tegelijk kreeg zij een gevoel, alsof ze zich diep in den vinger had gesneden; een weeë, scherpe pijn,... en of zij lauw bloed voelde droppelen op haar sidderende handen.
Josua begon heesch wat te fluisteren...... Telkens
stokte zijn stem, verslikte hij een keelprop...
— Wete?... Van wie?... Gehoord heb... heb ik... alles!
Nu zweeg Rebecca onder stil tumult van binnen. Wat wist vader? Wat? Wat?... Van wie?... Hoe lang al?...
Toen zij nu zwijgen bleef, hief Josua zijn geknauwd-grauw leedgezicht óp; keek hij zijn dochter dringend en sterk de oogen in. Dien diepen, wijzen, maar ook streng-bezonnen en weieens ongenaakbaren blik kende zij van hem als het zuiverste en zielsgespan-nendste van zijn vonnissend wezen. Onverzettelijkheid in hoogste zielsbesluiten; teedere kracht en toch iets richtends en verschrikkelijks, dat haar verstomde. Rebecca voelde zich gebroken, doorscheurd, juist wijl haar vader zich zoo krampachtig-lijdelijk insnoerde en geen enkel brandend verwijtwoordje uitbracht. Ineen gooide zij zich woest neer op haar knieën, vlak voor Josua's trillende beenen. Zij was voorbereid geweest op een onwrikbaar, steenachtig verzet en nü bleef hij zoo droef, zoo zacht en toegeeflijk... Zij wou vadertje wel in haar armen knellen, zijn bevend hart kalmeeren; hem over alles gerust