255
Josua's handen tastten onzeker naar haar gezichtje, als een meewarig-zoekende blinde doet...
Rebecca begon zacht te schreien. Een vonkenglan-zende haarlok viel over haar voorhoofd. De innige goeierd!
— Va, va... vadertje... zég je nou,... wat hebt u?
Josua zweeg.
Die wreede, verwijtende stilte wurgde Rebecca. Zij hijgde... Een angstaanval voelde zij opstormen. Zij begon plotseling te beseffen, dat vader wist. Wat? Dat kon zij zich niet goed voorstellen. Maar het
ging over haar en over...... Uriël. Dat was wel het
nijpendste, het allerergste. Nou moést, moést zij spreken; mócht zij vader niet langer beliegen, om den tuin leiden...
Innig-koesterend boog zij zich weer over Josua heen. Haar stem zong bijna...
— Zeg nou vader... is er iets?... Ben ik 't?...
Josua knikte. Maar star en smartelijk bleef hij
zwijgen.
Rebecca verstijfde van binnen. Een kou omstolde al haar ledematen. Zij betastte haar wenkbrauwtjes, maar zij voelde zelve niet, dat zij zich bewoog... Godallemachtig...... nu begon het! Nu kwam het vreeselijke,
het namelooze! Vader wist, wist! De waarheid van haar gemeen bedrog was aan het licht gebracht!... Van wie,... wist hij?... O, o, o, daar kwam het ontzettende. Nu zou het uit elkaar-scheurende, het schandelijke, ook met de belhamels Sem en Moos, de aasgieren, gebeuren en kon Uriël haar niet eens te hulp schieten. Nou moest zij in haar eenzaamheid zichzelve redden en hém, Uriël... Zij kon niet hinken tusschen vader en Uriël. Zij moést spreken!
Aarzelend draaide zij er weer omheen. Doorvor-schen wou zij, weten, wéten, wat vader wist, terwijl zij bijna kermde van berouw.