254
zakte stuntelig, slaparmig wég in den rieten kraakstoel. Op den raampost slingerde zijn verrimpeld gebedenboek, boven een ,,Kandelaar des Lichts"-deeltje.
Rebecca, onder een angstig voorgevoel, dat vader's overstuur-raken haar gold, durfde nauwelijks meer vragen en haalde water. Meewarig-lief bukte zij naar hem toe, het scherpgelijnde, fijne neusje bijna op Josua's kin.
Het glas klapperde tegen Josua's tanden. Een strak-verstarrende kramp verwrong heel zijn smarte-lijk-grauw gelaat. Het geleek een plotselinge krachten-opslurping; bezwijming van een stervende.
Josua, na een poos, vermande zich, toen hij Rebecca's angstige handen op zijn schouders voelde trillen en haar wonderlijk, zacht, mooi gezichtje met smeeklijke deernis, vlak onder zijn bevende oogen opdook...
— Bekkie, Bekkie!
Josua's stem kermde uit de diepte, alsof hij scherp-kwellende pijn in zelfgeeseling doorstond.
Weer vroeg Rebecca verward, wat vader eigenlijk had,. . wat toch? Of hij erg benauwd was?...
Josua rees eerst stram, toen met een stuipenden ruk overeind en staarde onder een obsessie. Driftig verschoof hij zijn kalotje. Zijn hellichte oogen bleven star, wijdopen staren...
Rebecca werd al angstiger. Een klamme zoelte steeg in haar op, God, wat zag hij er vreeselijk vergrauwd en ziekelijk uit!...
Verwijten en berouw doorhamerden haar:
— Jóuw schuld, jóuw schuld!
De December-donkerte dreigde. Heel het schamele kamertje scheen zich te verwringen onder haar kwellend ellende-gevoel. Nou was zij alleen met vader; doodalleen!