253
turf-kacheltje walmde; een lucht van rottend wor-telenloof... Ach, ach, wat was een menschelijk leven wankel!
Argeloos vroeg zij haar vader, of hij goed vond, dat er vanavond een halfuurtje eerder gegeten kon worden, want zij moest nog eenige boodschappen...
Josua zweeg; huiverde... Het zuivere hart Rebecca jókte!... Dat in-de-lucht-hangerige van haar woorden was iets heelemaal nieuws. Zijn Bekkie, zijn Bekkie, zoo allernauwst aan zijn ziel geprangd,... gilde het gesmoord in hem.
Josua's stem bleef weg.
Rebecca keek en ontstelde. Haar lange wimpers trilden hevig.
Josua zat nu geheel naar haar toegewend, tegen het raamlicht in, te beven op zijn rieten kraakstoel. De duimen duikelden wild over elkaar heen. Zijn uitge-zwakt gezicht scheen van groeven doorkerfd. Hij hakkelde iets heesch van kinderplicht... gesjiewes...
Rebecca steunde half onder den arm uitglijdend vaatwerk, met haar heup tegen de tafel. In wanhoop kreet zij, geheel verteederd:
— Vader... va...va,... wat hebt u?
Josua liet het hoofd machteloos inzinken. De oogen knipperden nerveus en de uitzakkende onderlip beefde. Plotseling doorkrampte hem een huilsnik. Het gelaat donkerde zwarter tegen het licht in.
Builen raasden en ronkten dolzinnig, autovrachtkarren.
Rinkelend stootte Rebecca de borden op tafel en rende op Josua af: een angst-schittervuur in den gouden oogenlichtkring.
— Vader,... god, god, vader... vader,... wat is er? Afschuwelijk!... Va.. .vadertje!...
Josua kón niet antwoorden. Zijn kreunende mond klemde vast. Heel zijn lichaam kromde in elkaar en