252
klonk weer in hem op: Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heirscharen; de gansche aarde is van Zijne Heerlijkheid vol......
Neen, neen,... Rebecca loog en vleide nooit. Zij was heel stil. Nou ja... mócht ze zijn! Vraag wie dat aanging?.״
Hun eeuwige verknochtheid bleek in het beschermen van malkander tegen de vreeselijke rebellen: de jongens. Nog sterker bond vader en dochter, Judith-zaliger en haar nagedachtenis. Waarom dan in dit gewichtige gebeuren zóó dreigend-stil en verborgen tegenover hem?
Het kropte al wranger. Zijn duimen duikelden......
Rebecca keek schuw en ontweek Josua.
Toch zou hij er eerstdaags zélf over beginnen. Hij had geen roe en geen rasj meer. Dat zwijgen maakte hem kapot! Hij las uit de heilige Thora, hij bad smartelijk-hartstochtelijk tot het Opperwezen. Hij vastte, hij, zwakzondig schepsel, maar Josua's onrust en verkommering bleven; de ketenende kracht van het klein-menschelijke. De ontgoocheling reet juist zijn ziel open. Hij moest, moest zich van binnen onderwerpen aan het gebeuren, door den Eeuwigen Schepper van al het geschapene voorbestemd. Maar... er blééf alleen verkommering en martelend verdriet. In zich voelde hij een erbarmelijke vernietiging van heel zijn vroom geluk, nu hij Rebecca verloor. Hij kon zich wel doodhuilen. Ook dat verscheurde en ontstelde Josua tegelijk.Was zijn vaderliefde voor Rebecca machtiger dan zijn liefde voor den Eeuwige? Waar kroop zijn deemoed, waar straalde zijn vervoering, zijn Godsaanbidding, nu de Almachtige hem beproefde?...
Rebecca, met danslichten stap, kwam het kale keukentje uit; wat vaatwerk onder den arm.
Josua schrok en wrong zich in zijn stoel terug. Het
-*—
Geen roe en geen rasj: geen rust.