251
kletste nooit over zoo iets. Ah nega, met geen sterveling! Die erkende alleen: al mijn beenderen hier zeggen: Heer, wie is als Gij?... Daarom rilde Josua van zijn katijvig en afgesleten zustertje Truddie, die zich kreupel konkelde, doch in den laatsten tijd nooit anders deed dan kwijlen over ,,Eminensje" Igmaniz...
Maar boven alles had Josua, Rebecca's eigen bekentenis verwacht. Het was zijn hevig-onbewuste drang: saamkoppeling van gebeuren met stil-brandende wenschen. Zij zou, dacht hij, op een onverwacht oogenblik naar hem toestormen, zijn bekrompen kop grijpen, in zijn oogen zien en hem dan alles, alles zeggen. Bij de heilige nagedachtenis van zijn Judith,... hij zou zijn gebensjte jongste teruggekregen hebben, met het zachtglanzend gezichtje van een serafijn, met de zachte oogen van een godsengel...
Maar Rebecca kwam niet met haar geheim! Haar schuwe zwijgen vernederde en krenkte Josua diep. Hij voelde zich een uitgedrevene, uit haar hart. Er greep iets om zijn keel. Er drong iets heesch, een wurging van zijn levensblijheid. Ook pijnde Josua zijn eigen nieuwsgierige gissen in het wilde. Wie zou het zijn?
Wie? Wat voor een man?...... Hij verlangde geen
zonder feil of rimpel, maar toch... als hij een Jood was, vroom... Kom, kom, narrisjkat... Wanneer hij maar een goéd mensch was. Een ieder moest vrij blijven... Och, och, Bekkie leefde altijd wel érg op zichzelve. Zij sprak niets meer voor en met hem uit. Altijd had Josua in het verborgene gevoeld,... dit meisje uit eigen bloed, naderde hij van binnen eigenlijk nooit. Er stond iets tusschen hen in. Wat? Wat? Wist hij zelf niet. Hij verlangde en zij verlangde. Maar hun grondelooze wenschen sleepten zij mee naar hun afzondering. En toch waren zij aan elkaar verknocht en als draden in één web door elkander geweven. Josua onderwierp zich zwijgend. De bovenaardsche stem van Jesaja