250
ziekelijk gezicht donkerden de groeven als kerven.
In geen acht dagen had Josua zijn ״Kandelaar des Lichts" opengeslagen. Zijn béste vrienden, zonder broodgebrek... Aldoor maar piekeren om dat vreese-lijke van Bekkie. Zelfs de heerlijk-lichte en uit lichtjesvreugde-opdoemende Chanoeka, bedacht hij flauw en lusteloos. Maar het was ook zoo hartverscheurend van zijn Bekkie, zijn Bekkie, die haar bloedeigen vader niet meer vertrouwde en zich verborg voor hém, voor hém! Om gek te worden! Eerst had Josua omzichtig-bang gewacht op zijn zustertje Truddie, uit de Moddermolensteeg; of dié soms zou oploopen met slijmerige roddelpraatjes en stijf-gestreken van nieuwtjes. Of ze hem zou overrompelen met het gebeurde. Truddie's spichtig, geel-grauw muizensnuitje dook op. Zij roddelde rad en smeuïg, maar over Rebecca geen syllabe. Zij ging gelijk zij gekomen was: Potje Zout, dat zich met alles bemoeide. Zij brabbelde van één, wat hatelijks; van een ander wat schandelijks, en een koortsig konkelblosje poederde weer haar gele koontjes rood.
Ook van Salomon hoorde Josua geen stiekem-gefluisterde of stil-ontzette ״versta wèl's"! Sak bekommerde zich luttel om Josua's dochter en haar kapsones. Hij ging ook liever 's avonds een blokkie om, dan Truddie's traanklieren te zien druppelen...
Maar het allerbeste bewijs, dat niemand iets wist van Rebecca's avontuur, was toch wel dat Sem, de schrikkelijke Sem, Moos, Jaap en Bram, haar eigen broers, geen stom woord zeiên. In het tegenovergestelde geval zouden de jongens zich met hartstocht en vuur op zoo een ״schandaal" geworpen hebben. En de weduwe Aboab en Rachel Belmonte Tirado zouden Josua geen rustig halfuurtje meer gunnen. En Lea, in den zoutevischwinkel, scheen ook niets te hebben gemerkt. Over Igmaniz behoefde Josua heelemaal niet te denken. Die was te fijn, te adellijk van ziel. Die
Kapsones: eigenwaan.