249
kacheltje in het kille, laaggebalkte vertrekje, rookte bedompt, turfwalm uit.
Hereira opende en sloot telkens trillend, de grijze, droeve oogen. Onder zijn onrustige bewegingen kraakte en kreunde de kapotgezeten, rieten stoel als een menschelijk schepsel vol kwalen.
Josua keek niet eens meer naar den Zuidertoren noch naar de stug-vereenzaamde kerk om. Wel hoorde hij ankersmid Hasselt aan d'overkant wild schreeuwen in zijn winkel.
Rebecca drentelde van kastdonker keukentje naar haar slaaphokje en het armelijk voorkamertje. Zij ruimde... Zij was heel gejaagd, om vader's ineengeschrompelde vermoeidheid, om zijn starend-luste-loozen hang voor het raam, al de gansche week. Hij sprak nauwelijks over Chanoeka, het vreugdehelle feest, waar hij anders, tegen dien tijd, vol van was... Zijn ingezonkenheid en zwijgen benauwden Rebecca. Tegelijk luisterde zij schuw, pijnlijk-verlangend en zoet-onrustig, naar mandolien-getokkel van Reintje Plukker, twee étages lager...
}osua verschoof telkens driftig, met kleine stootjes, zijn rood kalotje van brauwen naar kruin, van kruin naar voorhoofd, en bevend krasten zijn dunne, kromme vingers door het kroezig-zwarte ringbaardje.
Al een week gistte het in Josua. O, dat ontstellende nieuws uit de Onkelboerensteeg! Sallie Blik vermoedde nauwelijks, hoe erg hij Hereira ermee geknauwd had.
Josua moest alles van zijn hevig-kwellend verdriet in eigen, oude, gewonde hart, tot stikkens toe opproppen. Met wien kon hij, buiten Rebecca, over zijn ellende spreken?
Met de lippen op elkaar geperst, — o, de pijlspits van binnen, die overal stak, — doorvrat hem een sombere droefenis. Om zijn hoofd knelde een band, die al nauwer toesnoerde. En in zijn uitgemagerd,