248
geel lichtgat in het winkelduister. Een verguld-brons Japansch tempeltje en een koper rooktafelblad begonnen schuchter te gloeien. Debora's eenzame oogen staarden in den trillenden kaarsenschijn van het ontstoken luchtertje. Haar stem klonk verholen, schuw... Of meneer Hereira niet even binnen kwam, een warm kopje koffie drinken?
Josua groette, maar maakte het schrikgebaar van een laatslaper. Hij had heelemaal niet meer om Debora en Sallie's achterkamer gedacht... Hij strompelde van het krukje en woelde zich dieper, huiveriger zijn ulster in. Schichtig verontschuldigde Hereira zich bij Debora, die medelijdend wat terugmompelde...
— Ze wachte thuis op me, juffrouw Blik... Dank u duizendmaal!
Hij tastte beverig naar zijn hoed, op den griezeligen kop van het mummiebeeldje, maar hij greep in de rafels van een Tabriz-kleedje...
Sallie schoot toe.
Bijna prevelend en ruggekromd, groette Josua Debora en Sallie. Hij stiet, half blind van verdriet, tegen het winkel-bovendeurtje. De onderste helft weigerde. Sallie wrong een knip los, met oude acro-batenkracht, stutte Hereira onder de armen en hielp hem het leuninglooze, roode buitentrapje af.
Oneindig nietig, verschrompeld, schuifelde Josua's ingebogen, weemoedige gestaltetje langs den ontzaglijken, nachtduisteren romp van Zuidertoren; toren, die tot de spitse geheimzinnig oprees onder den jagenden, angstdonkeren stormhemel.
II.
Josua zat voor het lichtbeslagen venster, ouwelijk-suffig de rumoerige dwarsstraat in te staren. Het pot-