247
noodweer en steeg. Hij kermde en kreunde zacht...
— Gottegot!... Gotte... gotte... got!...
Toen drongen andere gedachten er even zoet-geruststellend tusschendoor... tenminste geen goy... geen goy!...
Maar een vreemde, een vreemde moest het hem vertellen, dat zijn gebensjte engel...... zijn Bekkie,
zijn oogenlicht, met een vréémden jongen liep. Dat was het martelende! Dat was voor hem een levens-omkeer, een verwoesting...
Aarzelend, ontgoocheld, bevend-bedeesd vroeg hij Sallie of... of dié, bij geval, ook wist wie het was?
— Néé,... viel Sallie stug-nijdig uit.
Blik huichelde. Hij wist wél. Uriël Rozenheim was zelf met studenten bij hem in de steeg geweest. Hij had hém dadelijk herkend. Een student liep er bij, met haar dat glom als water. Dien had hij nog later eens alleen aangeklampt en Engelsche prenten verkocht. Een metsieje...... Maar nou wilde hij het ergste verzwijgen voor Hereira. Wat raakte het eigenlijk hém, parbleu!... In vijf jaar had hij geen bloedspuwingen gehad. Dat, dat alleen moest hij in het oog houden. Wat raakte hem die mooie narrente Rebecca en die meneer Rozenheim, die knappe student?... Gezond, gezond mocht hij blijven, al kon je van gezondheid alleen ook geen rente trekken... Maar nu, nü zou hij zwijgen. Misschien ja zou het daar Josua in zijn krot besterven van schrik! Nou ja, had hij geen gelijk? Nou ja... het brood heb oogen, maar de kaas is blind... Had hij zich wat ingepraat... Hij most Josua waarschuwen! Vraag wat het hem aanging?...... Hij had
zichzélf ziek te sappelen voor vrouw en kind...
Josua zat wezenloos ineengedoken; de oogleden trilden hevig.
Onverwachts ging de gebarsten, glazen dubbele binnendeur van de achterkamer open en brandde een
Metsieje: koopje. — Narrente: gekkin.