246
te sparen. Al voelde Hereira zich geknakt, gebeukt, in elkaar getrapt; al sidderde hij voor alles wat hij zou gaan hooren, toch, tóch wilde hij alléén de waarheid weten. Hij smeekte Sallie, onder snijdend hartzeer, in een staaroogenden schrik, die zijn blik verkrampte, hem in niets te ontzien...
— Bij de eeuwige nagedachtenis van mijn Judith-zaliger!...
Sallie's vermurwing vrat zidhzelve op. Driftig boorde zijn pink in de behaarde ooren. Hij had voor die ״sjtos", die kemedie geen geduld. Die malle jobber... wat bracht het hem op?
Met rasperige stem vertelde Blik gejaagd, weerspannig verder. Dat hij Rebecca bijna iedere week, soms wel tweemaal in de week zag maaien met een langen, zwarten, fijnen meneer.
Josua's adem stokte. Hij deinsde terug...
—'n Goy?...
Hij wrong, pérste het met rijtende stem eruit...
— Nee... nee... dat niet...
Even herademde Josua, alsof hij een sluier voor de oogen wegblies. Maar het hevige verdriet, dat Bekkie buiten hem om, buiten haar bloedeigen vader, dat zij, allerdierbaarste, zoo iets kon doen zonder hém één woordje ervan te zegigen, dat knauwde, rammeide Josua onzeggelijk... Dat was om te huiveren!
Zijn zoons, die rebellen, die uitdrijvers... nou ja, verruwden en verhardden ieder uur erger tegen den machteloozen vader. Dat liet 'hij Kebajachol over!
Maar zij, zij...... zijn gebensjte engel, zijn adem, zijn
alles,... na Judith, zijn oogappel!...
Een krampige snik, met de vuist versmoord op de heete lippen, scheurde in pijn weer los als een gil. Ineen gedoken op het krukje, de natte ulster slobberig om zijn voeten bengelend, zat Josua, melaatsch van verdriet neer, zonder bewustzijn van winkel, Sallie,
Sjtos: grapjes. — Kebajachol: Opperwezen,