245
Josua probeerde tusschen zijn bibberenden snikhuil in, even onbestemd-luchtig te lachen en goedig zacht-diep te spreken met Sallie, die een ouden radkrans stond recht te buigen.
Sallie moest, moést zich hebben vergist...... Inbeelding, anders niet... narrisjkat, inbeelding!...
Onsamenhangend stotterde en haperde Josua en zijn oogen dwaalden blind over alles heen.
Sallie zweeg gegriefd. Ja, dacht hij verbolgen, hij was daar een prent van Jan de Wasscher...... Verhaaltjes en plaatjes tegelijk! Quel louftingue!...... Hij
hield zijn bek maar verders...
Sallie's gistend zwijgen werkte banger, beklemmender dan tegenspraak.
Toen wenkte Josua met de bevende handen en schokte weer overeind van zijn krukje. Hij wou zich vermannen. Maar krachteloos in de beenen, strompelde hij onmiddellijk terug.
— Nee Sal, nee-nee Sal... spréék maar lievers... Een zóó hevige, uit den ondersten grond van smart losgescheurde en weer halfgesmoorde snikgil klonk óp, dat Sallie zelf overstuur en beduusd begon te draaien en te wankelen. Het berouwde hem nu, zoo bruusk te zijn uitgevallen.
— Noh... noh... inoui!... Werachteresgot...
inoui!...... 'n Mensch ken ze-eige doch vergisse!......
Meschien was ik wel onder de was... Ik heb altoos 't hoogste woord... noh!... 'n Schram... niks as 'n sahram in me kop... Dan heb ik me wél vergis, tout
simplement...... Mot ik me maar niet zoo optotsje
wille...
Weer greep een kramp Josua's hart. Het wemelde voor zijn blinde oogen... Want hij hoorde, onder verstikkende benauwenis, diep-in, het stil-meewarige en bedriegelijke in Sallie's zwenkende stem. Blik wou nu
doen, alsof hij zich vergist had, om Josua te misleiden, -<—
Louftingue: gek. — Onder de was: dronken. — Optotsje: opsieren.