244
Josua had al zoo dikwijls muffe en jaloersche zanikerijen over Rebecca moeten hooren. Gekrenkte uitvallen tegen Rebecca's sjniks en Pottegiezentrots, en tegen haar zich-van-alles-a f zonderen. Belachte Josua, wijs-zachtjes. Hij kende haar menschelijke kernzuiverheid. .. Maar nü, in de verschrikkelijke, kervende stem van Sallie dreigde gróót onheil; rafelde gevaar...
Wilde angst omknelde Josua's keel. Hij zonk in zichzelf, krachteloos weg. Hij bibberde en stotterde gejaagd, schuw, brandend gebeten door een ellendig voorgevoel; het bewustzijn, dat Sallie niét loog. Maar wat, wat was er?... Hij durfde nauw te luisteren. Hij duizelde... Gloeiende splinters doorpiekten scherp zijn hamerende slapen. Weten?... Weten?... Wat weten van Rebecca? Wat... wat... wat?... Zou Sallie haar
misschien met een goy gezien hebben? Gottegot......
tóch met een goy?......
De wind wentelde bij rukken óm, als een kaaiman zijn kantelenden vinstaart. Regen striemde over raam en roode pui. Een donderend, suizend en zwiepend geraas overkookte de steeg, gelijk een nachtelijk golven-geweld rond d'Arke Noach...
Sallie ontwaarde Josua's ijlende ontzetting en bleeke verstorvenheid. Wrang sneed zijn stem er tegenin:
— Ze loopt mit 'n jonge!
Josua, trillend, struikelde achterwaarts en viel weer op zijn krukje terug, den innig-verkrampten beefmond erbarmend opengezakt. Zijn linkerhand kraste het baardje in...
Wat?... Wat?... Rebecca... zijn Bekkie liep met een jongen... met een vréémde?... Zonder hém, haar vader, iéts te hebben gezegd?... Neen, neen, gilde, griende het snauwende verdriet in hem,... dat kón niet, dat kón niet. Narrisjkat, narrisjkat... Dat was niet menschen-mogelijk!... Dat was een vergissing, een doodgewone vergissing... doodgewoon!...
Goy: Christen. — Narrisjkat: dwaasheid.