243
zijn hart. Om zijn neus diepten schaduwende groeven.
— Wat... wat,... bibberde Josua's stem... Bekkie?... Me Bekkie je... jou... nie... sture?... Sjimjismereine...
wa meen je Sallie?...... Wa heb me Bekkie......an je
misdaan?...
Sallie was zelf geschrokken van zijn heftigen uitval; van zijn levensdriftige natuur. Geregeld schemp tegen Josua! Warachteresgot... hij hield van Hereira'tje... Maar nu wou hij zijn heillooze houding scherp doorzetten. Geen sjmink meer. Nom de Dieu... de kerel zag bleek als een figurant de la Morgue... Moest dat schepsel dan haar eigen goeien vader belazeren,... die brutale, trotsche, geraffineerde meid, die altoos de onnoozele speelde!... Inoui!...
Hij schuifelde naar het wild-belichte raam, vlak bij Josua.
De wind loeide als een dol beest door de steeg. De Zuidertoren hamerde schuin tusschen gierende smalte van schots en scheef verzakte muren, rammelende kozijnen en dakpannen, een woest-uiteengestrooiden zwerm klanken neer. Voorspel en slag van tien uur. Een galmende tegendreun weerkaatste over den Kloveniersburgwal.
Sallie sprak opgejaagd, met kervenden nadruk op ieder woord.
— Wéét... jij... dan niks?
Josua sprong van zijn krukje, met lichtloos-uitge-woekerde schrik-oogen. Zijn handen en armen beefden hevig, onder stuipende schokken. Hij stikte half en snikte ondersmoord:
— Wete?... Wéte?... Allemogenste Vader... wéte?... Wat wéte?...
Sallie staarde over Josua heen de scheemrende, steile sloptrap in tuschen den plettend-hoogen overkant-muur. Zijn stem sneed door de gierende stilte...
— Jazeker... van je Bekkie!
Sjimjismereinie: God sta ons bij. — Figurant enz.: doodsbleeke kerel. . als een die op die Morgue (vroeger) te kijk lag.