241
tevreden de duimen over elkaar. Toen stotterde hij beschroomd:
— Zeg je klaumerkees...
Sallie grinnikte...
— Inoui!... Niks klaumiskees... Zalle me zien wat 't worde wil... 'n kind of 'n kruiwage!...
Josua's grijze oogen lichtten. Meewarig vroeg hij:
— Hoe is 't mit je... je weet wel?
Sallie voelde een hartklop. Hij zweette en rook weer naar cichorei. Sallie wilde nooit, dat iemand onver-langd, van zijn bloedspuwingen repte, als hij er zelf niet over begon. Bracht ongeluk! Nijdig gromde en snauwde hij naar Josua:
— Best, best... niks meer van gemerkt... eh... eh,... wat bedoel je eigelijk?...
Josua begreep. Hij had niet moeten vragen; dom van hem. Dadelijk veranderde hij van koers:
— Sal... as... as je nog ereis wat heb?... Want de tijje binne ophede... nee, nie te zégge!
— Zwijg maar stil!... De crieses!... Voor mijn... alles af... Voor eeuwig en altijd!
— Gottegot,... zuchtte vreesachtige Josua... Late wij mensche zich maar nie bezondige...
Sallie luisterde ternauwernood en was weer naar-stiglijk weggedoken in goud schaduwduister van het flakkerig achterwinkeltje. Josua bleef inkennig zitten tusschen den onwezenlijken rommel, die hem benarde en prangde. Het electrische avondlicht viel van wiegelende steeg-booglampen, violet-schel, met inktschijn-sels, op het bovenste ruit, maar dompelde de beneden-étalage in een spookwazige donkerte.
Juist vóór het onderste raam pronkte al het grillige ״antiek". Een veelarmig, ivoren, barsch, pagodeachtig oorlogsbeeldje naast een rompzwaren Buddha op een koel-blauwen lotus. Een geroest Japansch zwaard tusschen rieten schilden...... Een vuil-bevlekt kap-
Klaumerkees of klaumiskees: quasi.
16
Menschenharten