239
halfvergane geuren hingen. De smalle, geplaveide Onkelboerensteeg, zerken-stil, tusschen Zanddwars-straat en Kloveniersburgwal, was alleen 's avonds hel te zien bij electrisch licht.
Sallie's kunstzaak van ״Old Masters", stond op den dag in vochtig slop-grauw verzonken, onbegrijpelijk-vereenzaamd, als bezworen onder geheimzinnige kruipschaduwen van een lichtroovenden overmuur; groote, grauw-grijze magazijnen-achteruits, met blinde en heel kleine vensters, gespleten door een gang waarin steil, een morsige trap vooruitschoot.
's Zomers, bij maneschijn, schuin boven de steeg, begon het étalage-raam van het antiek-winkeltje mysterieuzelijk te leven; schoten kortstondig, fosfo-rische glimselen over allerlei voorwerpen uit; over Chineesch aardewerk en vazen, over kristalkistjes, sdhotels en goudgelakte schilderstukjes. Het geleek een lichtkabbeling, alsof de maan in stukken was neergevallen op Sallie's ,,Old Masters"-ruit.
's Winters floerste verstorven grauw over de steeg. Pothuisjes hurkten dwergelijk bijeen en een barbierszaakje op den hoek, klemde zich vast aan scheeve, gehavende gevels, tegenover de geweldig-plettende steeg-achteruitmuren. Zwarte en bonte katten met hongerige fonkeloogen, slopen of sprongen er rond en hoogpootige ratten, uit afgerasterde kippenkelders, huppelden speelsch onder traptreê's en langs slijkerige goten.
Op een laat-Novemberavond, — storm loeide als op zee, algeweldig, razend, en de regen zwiepte rond gelijk een uitgeslingerd touwstreng, — kwam Josua Hereira huiverig-ineengedoken oploopen, om Sallie's „winst" uit te betalen.
Het antiquairtje scharrelde in vage duisternis nabij de goudbeschemerde, glazen binnendeur van het achtervertrek.