235
tam... Eh... foei! Om stapelmesjokke te worden, om
er van te clakeeren!...... Öy...... wat 'n veine? Voor
wat?......
Een openbaring was zijn spel, mompelde meneer Moro. Als hij dat zei, sneed het witte litteeken dieper, akeliger om den dun-nijdigen mond en begon zijn adem
zacht te reutelen, achter in zijn keel. Openbaring......
herhaalde Sallie minachtelijk. Zou hém zoo zijn zorg zijn. Wat was er nou op kattendarmen te openbaren? Zijn oude collectie, zijn verborgen schat, uit de heele wereld bij mekaar geharkt, bleef nummer één. Al het andere was maar mietelegie!... Ja, die versjwarstenar van een jongen had zich daar noodig rijk te kratsje voor een vader, die millioenair en méér dan dat zou worden! Ja, hij was daar een vondeling!... Zijn collectie,... al het andere, zijn vrouw met haar eeuwige huiloogen, haar ״wonderkind", hijzelf, waren maar bijzaak, frotte bijzaak, anders niks!... Alles Debora's schuld. Zij vertroetelde dien snotaap als een sultan-netje. Gesjiewes was ze, daar niet van. Maar een stuk „eit". Mit recht, tevreden mit het allerkleinste. Maar
sjtom...... stjom as ze toges. En haar jochie kratsje,
kratsje maar... geregeld een leeuwerik in de vroegte!... Meneer Moro vond er ook niks an; zoo stil als een put... noh!
Al handelde Sallie in oude meubelen, hij scharrelde ook op markten en tusschen alsoortige ramschers, eerlijken en schurken, bedeesden en overbrutalen, bedreigers, hyena's, bloedzuigers, druiloors, die, al vraten ze geen „skinka", zooals ze zeien op zijn reis in Zweden, toch roosjengs waren. Bij de fatsoenlijken had hij weer eens een pietsie schoure voor Josua Heireira losgewerkt.
De menschen dachten altoos, dat hij, Sallie Blik uit
Claquer (Fransch argot): sterven. — Roosjengs: boos-aardigen.