236
Amerika, zich stiekem rijk had gesappeld. Plies!......
Teek my number!... Ja, rijk... dat was waar, maar alleen in zeldzame, échte kunstwerken, ongesigneerd, die ééns door heele gróóte kenners zouden worden gekeurd, en dan was hij er bovenop! Millioenair, en méér dan dat! Zijn oude moeder-zaliger placht altoos te zeggen...
— Sal, hang je lievers zelf wat an je neus... Doet 't 'n ander niet.
Of course!... Maar zijn stukken, lieve ziel, waren zoo echt als de heilige Seifer Thora voor dien braven Josua Hereira. Zóó zat hij niet in den knoei! Sallie was geen brillenkramer en zélf blind. Opheden, o zeer zeker, was hij nog doodstervend-arm, omdat hij alles, zijn hoogste en duurste goed, krampachtig en tegen allen levensnood in, vasthield. O ja,... hij zag ze wel allemaal loéren, met hun valsche tronies, op zijn verborgen bezit. Al die uitgeslepen concurrenten en sluwe klanten, al schempten ze op zijn collectie, zijn vooze
kleurkrijtjes...... Daarom grinnikten en lachten en
spotten die kleefpasta's; tikten ze tegen hun voorhoofd, om hém te benauwen, te ontgoochelen; om, eenmaal hem in angst ziend, den boel goedkoop los te krijgen... O ja, bruine boon en met spek!... Wat was die Sallie Blik toch beklagenswaardig... Atteproy... wat waren zij strompelaars en schurken. Wat een salauds van de vroegere Zizeniska!... Ze konden voor hem allemaal gaan bedelen met stukjes schuurpapier!... Maar hij zou liever op staanden voet sterven, dan zich zijn schatten zóó te laten ontronselen door die behendige gluipers en sluipmoordenaars.
Meneer Moro, zoo sluw als een Chinees, altijd hongerig op metsiejes, die man begon nou eerst een beetje sjoege van Sallie Blik te krijgen! Die had misschien óók eerst gedacht: Sallie is abnormaal; er loopt een streep door hem heen. En nou...... nou...... in de
Seifer Thora: Wetsrol. — Salauds: smeerpoetsen.