232
jongetje, nee, nee, haar Jochempie, haar Jochempie was geen gewoon mannetje...
Sallie wenkte Jochem te naderen. Die, wrevelig, stug, de oogen neer, stapte traag naar hem toe en fluisterde iets.
Sallie, overmoedig schertste:
— Nou, pjoepel... may I trouble you?... Hoe vin je 't? Have I the honner?...
Jochem hield het kopje neêr en zweeg, al stroever, stil-weerbarstiger. Hij vreesde zijn vader; voelde alleen maar angst, gejaagdheid en iets ellendigs, gedrukts in zijn tegenwoordigheid. Hij verafschuwde instinctief het zoetzweeterig cichorei-luchtje van opgewonden Sallie.
Blik, gekrenkt, rukte ruw Jochem's hoofdje bij de kin op. Sallie schrok. Het kereltje zag zoo bleek als
een eetbord...... goejemegranis!...... Was dat een
blijvertje?
— Allee... je mot na bed!... Geen poot meer op die frotte viool hoor!... Ik waarschuw je!... Allee, na je nest!...
Jochem, in zijn broze tengerheid en overgevoeligheid, boog het bleeke hoofdje en ging. Maar zijn moeder keek hij snel en smedklijk-weemoedig aan. Zij verstand Jochem. Zij zou hem op het vlieringslaaphokje nog wel even knuffelen.
VII.
Blik was met Moro, in eenige jaren tijds, zeer vertrouwd geraakt en hij had den juwelier een en ander verteld van eigen en van andermans leven. Alles onder de roos... entre-nous en... in vertrouwen.
Op een middag sprak Sallie argeloos eenige onnoozele woordjes van Josua Hereira, als hulpvaar-