230
Niets kinderlijks was er in Jochem. Zonder het zich bewust te zijn, bracht hij het wonder in huis, het muziekwonder. Ver boven zijn leeftijd keek, handelde en peinsde Jochem. Zijn blik scheen alles in en om hem te verontstoffelijken. In Jochem, atavistisch, herleefde de Russische melancholie van zijn grootmoeder en het geheime vuur van zijn Hongaarschen grootvader. Hij hoorde den wind om het huis zingen en huilen. Hij speelde de klagelijke stem na. Hij zou een zucht op de viool kunnen vangen. Alles, alles was hem klank, zang, muziek... Zijn adem streek hij mee in den toon. Hij wist zelf niet, hoe het hem overgolfde... Hij rilde van zijn vader. Sallie bleef hem een vreemde man. Maar zijn moeder was Jochem alles; schoon hij haar toesprak met jij en jou; zij het kind en hij de man!
Debora werd nog knap genoemd voor haar leeftijd. Alleen staken haar jukbeenderen te scherp de magere wangen uit en de droomrige, eenzame oogen puilden. Zij had al het duldende, stille en onderworpene van de zwijgende vrouw over zich, die pijnigend leed en snijdende smart verdroeg; haar schreien voor een ieder verborg. Maar met Jochem eenmaal saam, veranderde haar heele trieste wezen; verloor Debora haar melancholieke lijdzaamheid en schuwe kommernis; praatte zij met hem over muziek, over woeste zigeuner-romances, die ze vroeger wel eens gehoord had, met een teedere, lieve stem. Dan ontstak het onaardsche zich bevend in Jochem's grootbruine, stralende droomoogen. Hij vroeg overrijp, overwijs, en bleef inéén doodstil zitten namijmeren, als hij gespeeld had. Hij begreep het leed-zware en sombere van zijn moeder niet...
— Waarom huil je, Moe?
Debora zweeg en huiverde.
— Moes,... Moe... drong Jochem, en sprong naar haar toe.
Weer dat schokkende, krampachtige snikken...