229
het muf-zwoele antiekwinkeltje, vertelde Debora haar zoontje het nieuws. Jochem's magerbleek, verbaasd gezichtje verwrong krampachtig onder het ziek-gele één-kousjes-lamplicht. Wild sjorde hij zijn fluweel broekje bij den riem dicht. Toen trok midden op het akelig-wit, hoog voorhoofdje, waarover zwarte krullen warden, een bijtend-roode vlek als een gekleurde ouwel. De twee grootbruine droomoogen gloeiden angstig open in den half-duisteren kamerschijn en een geluksschok doortrilde heel Jochem's tengere lichaampje.
Plots hing het ventje om den hals van zijn zachtzinnige moeder en zoende haar wild en fanatisch, met een geheel ónkinderlijken hartstocht, den mond saam-geperst. Zijn tenger-slanke, witte vingertjes knepen haar nerveus-prangend den nek in.
Jochem was zoo dol- en dolblij, dat hij wel springen wou. Hij sidderde, stotterde, holde en bleef stilstaan. Nou kreeg hij les, les, écht les!... Al wat hij op het viooltje deed, was gepruts van hemzelf geweest, door Sallie afsnauwend onderbroken, wanneer Blik de zorgen martelend drongen. Nu zou hij les krijgen van een echten meester! Hij wou wel spelen, spelen, niets dan spelen, vlakbij zijn moeder, in het winkel-achterkamertje of in het schuurtje, bij de keuken.
Jochem zoende zijn moeder al heviger en hij smeekte haar te lachen, mee te lachen met hem. Haar stem klonk nu heel ontroerd en vreemd. Plotseling stond het kereltje roereloos te suffen; begonnen wonderlijk de oogen te glanzen en keek hij bedeesd-meewarig naar zijn oud, wrak viooltje met de bont-beschilderde f-gaten. Had zijn vader gedaan in een gekke, speelsche bui. En weer, al onstuimiger, snikkend van vreugde zoende hij zijn moeder en zijn viooltje, waarop zijn ״halleve zigeuner van 'n grootvader" had gespeeld.