228
moeder...... Alles, alles heb ze me afgestaan, me
Debora... Maar dat ouwe vodje niet... Dat heb ze georreve... jaja, 'n erfstuJk antiék van d'r grootvader... épatant!... Heb ze als kind bij gewoond... Die krasjte óók... j'me gomdole!...
Moro betastte ongeduldig zijn neus...
— Zoo?
— Haar grootmoeder weet u...... was 'n Russin,
weet u... volbloed... En haar grootvader 'n halve zigeuner of Hongaar... of eppes zoo iets!...
— Stil!... snauwde Moro weer heftig en luisterde, nu de viool weer zong.
Moro had Blik nog nimmer persoonlijk aan huis ontvangen. Maar nü verzocht hij toch, met iets aarzelends in de nazale stem, dat Sallie hem mét zijn zoontje zou komen bezoeken. Het ventje moest vooral de viool meenemen.
Moro zat te luisteren. Zijn rechterbeen danste van zenuwdrift.
Sallie vertrouwde den juwelier niet. Zijn oogen
flonkerden wel flauw. Noh, maansjene...... wat kon
hém gebeuren?... Le gazeur!...
Moro, zeer muzikaal, had dadelijk het ontstellend-zingende wonder gehoord van rhythme, streek en hallucinanten toon. Hij zei Sallie heel weinig van zijn ontdekking. Al dadelijk wroette felle afgunst in hem, om het bezit van zoo een kind!
Alleen schuwe, droomrige moeder Debora leefde even onherkenbaar óp, bij het verrassings-nieuws, dat meneer Moro hakt Jochem viool zou laten leeren. Zij huilde zacht, maar draaide zich snel-beducht om. Want Sallie werd half-gek van drift, als hij Debora ongemotiveerd zag grienen...
's Avonds, in de schemerdonkere achterkamer van
Je me gondole׳. Ik lach me dood. — Gazeur: fantast, leugenaar.