VI.
227
Toen twee jaar geleden Moro eens heel boven achter, in de Onkelboerensteeg, wat Smyrnasche lappen vlak-bij het lichtraam keurde, hoorde hij vioolspelen. Een teerzingende en droeve klank vibreerde van het donker-vochtige en smalle plaatsje op. Norsch, alsof hij bedot werd, vroeg de juwelier:
— Wie speelt er? 'n Gramofoonplaat?...
— Me zoontje Jochem, meneer Moro... Hij... hij krasjt 'n beetje, meneer Moro, uit-ze-eige... Maar...
maar as 't u hindert, meneer Moro...... dan mot die
kwajejonge dadelijk ophouwe... of j'lui flanque une baffre, voyons!...
— Stil!... snauwde Moro heftig en bukte naar het raam.
De juwelier luisterde bijna ontdaan; al aandachtiger. Zijn wimpers beefden. Vreemd! Was die diepe, ruischende streek, die breed-deinende klaagzangtoon, van een kind? Onmogelijk!
Moro keek verstomd. Sallie sperde de vogeloogen.
— Noh... noh?...
Hij begreep niets meer van meneer Moro. Die man had ook ieder uur iets anders. Opgevreten werd hij door wispelturigheid en wrange onrust. Hij wankelde eeuwig en altijd. En als je wat scherps zei, gooide hij al zijn onbillijkheden op jicht, op hartkloppingen etzetera.
Wrevelig stommelde Blik een bankje om...
— As-ik-u-zeg... hij krasjt op 'n oud kreng van 'n viooltje, meneer Moro... Nebbisj!
— Zoo!
— Hij heb nog nooit een uur les gehad...
— Zoo-zoo!
— 't Viooltje heb ze moeder bewaard van d'r groot-
Je lui flanque une baffre; ik geef hem een oplababber.