225
Sallie doorzag Moro's felle plannen. Hij aanvaardde, maar kronlkelde, bedroog, loog heimelijk. Kon Moro niet schelen. Als het er op aan kwam, kon niemand grilliger, valscher en huichelender liegen dan hijzelf. Er bleef toch nog genoeg hangen aan den strijkstok. Want, — de juwelier moest het weerspannig erkennen, — soms kocht Sallie prachtdingen. Die moest de dwaze, hypomanische scharrelaar dan met een pril winstje onmiddellijk den kapitaal-voorschieter afstaan. Moro kon toch zelf den sprong niet wagen en den boer opgaan, om antiek af te troggelen! Al was hij veel sluwer, veel gewetenloozer, veel ge-meener dan Sallie, hij werd niet gekweld door waanvoorstellingen als Blik, die zoo gesmoord en toch angstig-opgewonden kon raaskallen over zijn ״collectie". Nu snoerde Moro, geld-verzorger, Sallie aan eigen en aan Blik's belangen vast.
Blik hield geen paraplu boven den onnoozelen kap. Hij liet zich zoomaar natregenen en alles goedsmoeds ontronselen, wijl hij gebrek had en zijn groote collectie, — waar Moro valsch-ironisch om grinnikte, — voor verkoop nooit wilde aanraken. Want iets vermocht meneer Moro, <üe vreemde bedwinger met zijn gierenneus en de schei-lichte, helsche oogen, nimmer in Sallie Blik te vernietigen: zijn koortsige, duizelingwekkende, daadkrachtige begoochelingen, zijn verblindende zelfsuggestie en inbeelding, die over hem heen-vielen als avondrood over een hei... Al noemden ze Sallie Blik listig, zoo was hij nu eenmaal geschapen, gemeen, soms meineedig, gewetenloos, — er leefde tegelijk een fantastische toovenaar in hem, volmaakt zuiver, die een hóógen, hallucinanten, stralenden droom tot werkelijkheid in zichzelf maakte: de onschokbare overtuiging van de echtheid en fenomenale waarde zijner ontdekte schilderijen. Zooals een spiegelglazen bol fonkelde in een lentetuin, zoo
15
Menschenharten.