224
of op welke wijze hij den bedrieger sluwer overbe-driegen kon. Nou ja, het was daar allemaal gesmokkelde waar... Maansjene!
Meewarig betuurde Sallie een brons leeuwtje, dat kromtrok van pijlengif, op een hinkend consoletje, waarvan de spiegel groen glom als gras. Aartsdom en argeloos, of hij geen tien kon tellen, stond Sallie's gezicht.
Ook gewetenlooze Moro, van zijn kant, had het geraffineerde antiquairtje als een doortinteld, vernuftig scharrelaar, gauw in de gaten. Hij voelde zekere verwantschap met de snel-begrijpende en snel-dóór-dringende sluwheid van geest, onder het mom van halve onnoozelheid. Weer heel iets anders dan de vlijmende, maar stugge intelligentie van Robert van Nienhuizen. Hij kon dien zwendelaar voor zichzelf best gebruiken, wanneer hij zijn leugens maar bijtijds afketste. Er huiverden booze gedachten door Moro's listig brein, die nog slechts als schaduwen opdoken. Moro liep heen en weer in het enge ruimtetje. Hoe kon hij hier zijn valstrikken overlistig spannen? Hij stiet zijn hoofd tegen een rinkelend, glazen kroontje, dat heel laag hing, en vertrok.
Moro stapte nu vaker het antiekwinkeltje binnen. De heet-sluwe juwelier begon Sallie met kleine bedragjes te helpen. Voorschot op metsiejetjes... Nu kon Blik, ondanks uitmergelende malaise, koopen; koopen met al zijn aftroggelings-hartstocht, al wat hij wilde. Maar... niet voor zichzelf; wél voor Moro... tegen zooveel procent winst, als er winst kwam.
Toen Moro het Blik voorstelde, op een laten avond in zijn winkeltje, de schommellamp een geelduister schijnsel over de ״spullen" heenwiegelde, keek hij Sallie heel doordringend aan, alsof hij het antiquairtje met de scherpe oogen wilde openscheuren. Hij vertelde Sallie alles „entre nous" of in vertrouwen.