215
tippelde de kerel, met een schreeuw van verrassing, achter hem aan. Nou dreigde hij niet meer:
— Pas op, of ik slaan je hoof a jour!...
Sallie kocht een hoop oude medailles om één erin, een gaafmooie Opzienerspenning van een schouwburg, zeventiende eeuw. Wist die Buster Keaton, die droogpruimer veel!
Plots stiet de knobbelige kerel als een schrik eruit, zonder overgang:
—- Daar... voor mijn part, je mag 't hebbe!
Sallie veinsde onnoozel:
— Wat?
— 't Plankie!... kreet de kerel, met een kop, paarsrood als een zee-anemoon.
Nu hield Sallie zich steil-trotsch. Een ruk aan de noodrem! Wég met die vodden. Zijn dat bargains? Sallie maakte reuzen ^h errie, ratelde en hakkelde nerveus, vurig... Nou had de kleffe kerel zichzelf dom schade gedaan. Nou gaf hij niet meer dan de helft voor het beschilderde plankje. Want, bij godallemachtig, als ״restereteur" moest hij het heele ,,rotding" weer afpoetsen, schoonmaken, opfrisschen, bijkwasten, vernissen.
In schijn greep Sallie achteloos naar een kapot beelden-mechaniekje; poppen met water-en-melk-smoelen, en naar een Hauw-blauw namaak-Delftsche vaas: Adriaen Pijnacker. Doodelijk benauwd, dat de kerel zijn „meesterstuk" zou „verduisteren", brabbelde Sallie al radder, brutaler, Fransch, Duitsch en Engelsch en Jiddisch door malkander. Sallie vocht, vloekte, overrompelde, trapte en krenkte fier. Alles was lawaai aan hem. Maar dan ineen, onder het loeren en gluren, draaide hij om; begon hij zalvend te schmeigelen, listig te vleien en ploertige bakken te vertellen. Van toén nog, uit Amerika, uit zijn pover clownsleven. Zijn „sjmak" kwam erbij te pas. Zelfs