214
Eerst nu begon de zacht-venijnige, uitgerekende kunst om te veinzen, listig te liegen, angstig te raden, te gissen, te draaien als een vrijbuiter. Eindelijk had Sallie sloom zijn boeltje uit den rommel ongemerkt gesorteerd en het, schijnbaar in het wilde, meegepakt met een troep waardelooze rariteiten, die hij alléén kocht om ״voddig doekje" en ״antiek" te kunnen vermoffelen... Wat had hij aan een brok gebeeldhouwden ledikanten-stijl, aan een gekalkten tijgerklauw, aan een afgeknapte lazarusklep?
Soms bleef hij op een schilderstukje, waar hij heel erg op gebrand was, té stuiperig lang hangen; kon hij er niet van weg! Werd me zoo een frotte kerel argwanend. Was óók niet van yesterday!... Wat heb jij
aan zoo een bekrast lor, zoo een dood plankje?......
Steek er de vlijm doorheen! Dan bood Sallie onderhands héél snel, veel te hoog en geraffineerd-gemeen, op oude medailles en op een zwaar-gedeukten koperen heimet. Maar als jij er zoo happig, zoo belust op bent voor tien, is het mezelf wel twintig waard, docht de kerel. Zoo iets had Sallie in Londen telkens nijpend
ondervonden. Die plegisj...... Legde hém geregeld op
stroo!... Maar weer nam hij met een grootschigen ruk van onverschilligheid, het écht-antieike paneeltje op en smakte het driftig bij vermolmden rommel terug. Atte-proï... tusschen een glassnijder en een pispot... wat 'n pogrom!... Toen hoorde hij zichzelf, met kermenden angst en verdriet in zijn hart, óverkoen en dreunend zeggen:
— Hoü maar je rot-schoure... I have finished... daar, barbe pou!...
Als lood klonk de slag. Hij weg.
Een week later slenterde Sallie Blik weer, ijselijk-onverschillig binnen. O, hoe tempteerde hem de gouden kaarsenschijn van het antieke schilderstukje, met een zweem blauw over alle figuren...... Dadelijk
Plegisj: fielt, — Schoure: goederen. — Barbe a poux: luizenbaard.