213
III.
Sallie kocht alle dingen, naar hij waande, met wonderlijke intuïtie. Wanneer hij zoo een kostbaar plaatje, prentje, verfstukje of copietje ontdekte, bij wezens, die, schimpte Sallie, evenveel sjoege hadden van kunst als een putjesschepper, dan begon hij binnensmonds een reeks van, alleen voor hemzelf verstaanbare, geheimzinnige bezweringstermen te smonselen. Maar hij repte niemand van zijn vondst. Zoo link was hij wel! Sallie roerde ook het schilderstukje met den pinknagel niet aan. Té gulzige visschen scheuren het net, zei zijn moeder altoos. Bedaard, kalm-kalm
meneer, zalm-zalm. Oppassen,...... anders zou hij
waarachtig nog over zijn eigen schaduw struikelen!
Langzaam begon het verhittende en koortsig-nawer-kende comediespel, voor eigen genot, dat hem heele-maal meesleepte; een arbeid, dien Sallie met Ameri-kaanschen bluf noemde: zijn hachelijke voorpostgevechten! Hoé, het eenmaal ontdekte te verbergen en toch los te krijgen, voor een kratsnabbel en ver van het spinhuis! Bij een halfdobberenden boer, die stonk naar aardkluiten, een koperen blaker als een stuk zon, een theestoof vol smeuïge geuren, een oude bronzen vaas of dof-glimselende Nassau-kruiken. Verder alsoortige reliquietjes, gietwerk, koperwerk, oud aardewerk. Zelfs goudgroene jade, overerg Chineesch, tikte hij op den kop. Jammer dat hij van jade weinig verstand had! Bij bigotte, dom-sluwe dorpelingen in het zuiden, antiek-tinnen borden, heiligenbeeldjes, een slechte copie, altaar-stuk van Matsijs; bestorven luifeltjes en een Dürer-houtsneê. Bij voddenbazen en uitdragers, beschilderde blaasbalgen, gebarsten oude kruit-flesschen, gebroken tegels, ramshorens, een oude tirapbaluster...
Kratsnabbel: luttel bedrag.