212
meur en. geen kunsthandel; geen veiling en geen onkenner. Zijn goudmijn bleef in het duister van zijn achterkamer... En dan plots, in zijn eentje, die zware, hevige slagen op zijn hart,... die verslindende geluks-droom, dat hij voor zijn collectie nog eens een Rembrandt zou ontdekken in het diepste geheim, en van menschen, die geen flauw besef hadden van hun rijkdom. Was dat oplichterij? Geen kwestie van; dat was handel. Nee, nee, hij snorde in geen kloosters of hofjes. Hij begeerde geen verarmde rijken te pressen, hem een doek af te staan. Dat was allemaal niks, niks...
Sallie's oogen sperden en hij snoof zijn eigen zoet cichorei-luchtje met welbehagen. Want hij zweette van aandoening. Neen, neen, geen leugengeknoei, geen bedrog, maar een écht Rembrandtje! Naar Amerika! Al vroeg hij een millioen, een stroom dollars,... hij kreeg ze. Zoowaar als God leeft, dat was geen holle dweperij. Want niemand eêr dan Sallie Blik zou goud uit een horentje drinken...
Hij jeukte heftig zijn behaarde ooren en zijn oude vroolijkheid keerde terug. Dat flikte nou dat kleine geniepige antiquairtje uit de Onkelboerensteeg, dat benauwd zuchtte onder zijn onverkoopbare schatten, die nooit een likdoornsnijder noodig had! Atteproi! De heele wereld zou hem aangapen... maar dan ging hij stempelen met zijn toges. Dus vasthouwen, vasthouwen was de boodschap. Geen deur openmaken om een venster dicht te doen. Zijn geluk stak al de concurrenten, die veilingdieven, die smuigers en oplichters en stroopers, in de keel. Die wildvreemde gatteisem zeiên dat hij stapelkrankjoorem was met zijn old masters! Och, och, wat zouen ze graag met hem lappen! Maar hij gruwde van handlangers. Daarom bleef hij altijd gedallest.
Toges: achterste. — Gatteisem: smeerlappen. — Lappen: samendoen. — Gedallest: arm.