209
sopjes? Op geprepareerd-gebarsten linnen?......
Hahaha...... om te gieren. Niemand kreeg dat
Brouwertje, of hij moest er om bidden en smeeken op zijn bloote knieën...
Toen Sallie lest door Parijs en over boulevards met hun razende menschenwriemeling doolde, de onoog-lijkstebuurtjes, dompige keldertjes binnendook, tikte hij toch maar weer een Rubens op den kop. Sallie voelde zich inwendig door koortsen verteerd. Hij had het doek met heiligheids-gevoel opgeborgen bij zijn Old Masters die groeiden, groeiden als druiventrossen in een milden wijngaard. Eéns zouden die hem milliardair en meer dan milliardair maken! Hij leefde nu, ieder zwijmelend uur van zijn bestaan, in een sprookjesachtigen toekomstdroom. Nou niet meer toeren met de voddenkar. Hij ademde rijkdommen uit en in! En hij hoorde al-maar de glazen klepel van zijn geluksklok helder-ijl luien in de lucht... Zijn heimelijke en popelende verrukking bleef, ééns ergens Rembrandts te ontdekken! Och ja, dat wouen alle zoekers, snorders en knoeiers, in het volle sop! Maar zij kenden toch niet als hij, den geheimen kronkel, de spelonken. Hij bestormde geen veilingen. Hij vertelde geen leugens. Hij wilde wel, maar hij kon niet. Dat was weer de brandende kerf door zijn tweeslachtige wezen. Hij verlangde geen fabricaasjes, geen valsche opsmuksels. Tegenover dat groote, verachtte hij alle sluwe listen en trucs. Hij schoot geen duif met een katapult dood... Maling had hij aan hotel-portiers en antiekmakers. Hij, Sallie, vond, waar niemand zocht. Hij drong ook niemand zijn koopsels op en verlangde er geen bedrog mee te plegen. Hij borg ze bij zijn collectie en later, later... o, daar bonsden weer die hartkloppingen van geluk op. Zijn collectie zou eens erkend worden door alle deskundigen. Hij voelde het zoo onuitsprekelijk waar. Er moésten nog Rembrandts zijn. Hij was immers op de
14
Menschenharten.