208
dellijk een zwenking in zijn verhouding: trouwen. Debora Parser vond zwijgend, gelaten, alles goed.
Zij bracht een zoontje ter wereld, dat na acht dagen stierf. Sallie alweer, bleef volkomen onberoerd en jeukte achteloos de zwaar-behaarde ooren. Hij was getrouwd. De buurtjes konden nou kletsen en lasteren zooveel ze begeerden, hij had de trutten gegooid.
Debora huilde stil, in de schemerdonkere achterkamer van het antiek-winkeltje; zóó stil dat haar man nooit iets van vrouw's verbeten kommernis merkte.
Sallie Blik, zuiver in zijn egoïsme, soms half verstikt en overschuimd van geluks-gedachte aan zijn rijke toekomst, die hem niemand kon ontpraten, leefde alléén voor zijn ״antiek" en „meesterstukken", die hij den laatsten tijd, met hallucinante helderziendheid ontdekte; jachtig in zijn collectie schoof, en al angstiger bewaakte.
— Allow me,... zuchtte Sallie diep.
Zijn vrouw Debora schoof schaduw-stil door het huis. Geregeld foolish... allebeneur!... Most zij weten, die turf-in-een-testje. Beter dan dat zij hém het bestaan zuur maakte. Zij had zelf een gebensjt leven, al hing vlak achter haar hoofd een antieik Deventer beulszwaard...
Sallie zette „al zijn geld" vast in onbekende, onge-teekende meesterstukken. Veel druks, veel geluks! Hij troggelde een „goddelijke" Adriaan Brouwer-in-lijst af, magnifiek, eersterangs-kunstwerk, voor achttien gulden, met mooie en sluwe praatjes, uit de handen van een stokoud vrouwtje, ergens bij de Looiersgracht. Het was een hartkloppingen-dag voor Sallie geweest. Op de grauwe lippen niets dan een mummelspel van het bestje. Een Mona Lisa van tachtig jaar... Op dat creatuur had hij gespeculeerd. Hij gaf het voor geen tien rooje ruggetjes. Wat? Wat sausjes, betume
Trutten: twee drieën gooien, met dobbelsteenan. — Gebensjt: gezegend.