206
tooneel woei zoete gaslucht, die Sallie altijd wonderlijk aantrok. Hij zelf, oud-acrobaat, onderging nog vreemd heimwee naar Bühne en circus...
Toch ging Sallie's winkeltje in de warme buurt niet naar zin. Nauwelijks was hij hier een jaar gevestigd, of hij verkocht zijn zaakje weer en kreeg het in den krampachtig-dollen kop, in Europa op zoek te gaan naar antiek en ״old masters". Bezetenheid? Zoek-woede? Winstbejag? Goed, maar hij wilde! Niet Jan, maar Sallie Onversaagd, noemde hij zichzelf ironisch, al had hij in Texas en Californië, met zijn arbekanfes aan, onder de woeste gouddelvers, gehuiverd.
Hij had een smakelijk duitje overlegd en toen nog ״alleene jongen", slechts zelden door bloedspuwingen overvallen, ging Blik als een nederig-gesjochte zwerver, van alle markten thuis, op stap. Hij noemde dat: tuinen door Europa. Drie jaar lang zwierf Sallie in Duitschland, Frankrijk, Engeland, Polen en zelfs Rusland rond. En opnieuw, kwellender, pijnigender verknaagd van heimwee, hunkerde hij naar een eigen zaakje in Mokum, naar zijn warrelige en donkere, oud-Ghetto-buurt, waar toén nog, — dertig jaar her, — heel weinig veranderd was.
Hij trouwde zonder trammelan, met een houterige sjikse, kil als een botje, zakelijk-dor en uit nooddruft, nadat hij met haar ״gehokt" had. Hij kon haar wel dag en nacht hutselen. Ze bracht hem ongeluk. Op den avond van zijn huwelijk brak hij, bij een driftbeweging, een zeldzaam Anna Roemersje, het eenige drinkglas, door haar eigen handen gegraveerd met egelantierrozen; het eenige hier in Amsterdam te vinden. Was
een Tesselschade-beker niks bij!...... Sallie's starre
vogeloogen sperden bijgeloovig. Toen huilde hij van woede. Een schat verloren, die hij doodalleen ergens had opgediept...
Blik's affairetje ging mirakel-slecht. Zijn! goed-
Arbekanfes: scapulier met tsitsith of schouwdraden. — Tuinen: wandelen, loopen. — Sjikse: Christin.