203
overleg met ronselaars, boeven en zakrollers. Hij kende hun brullend en galmend alarm vóór de karig-rood-verlichte, smalle ingangsdeuren:
— Kom in, meneeren, de voorstelling gaat beginnen. .. Alles eersterangs, heeren!...
En op Maandag, vanwege de stadsdrukte:
— Makelaars en huisjesmelkers halfgeld!...
Het klonk Sallie Blik, na vijfendertig jaar, nog zangerig de ooren in, het walmende roepen der gegalonneerde portieren; de rechtsche, met wreede en bleeke tronie van een boef, die een moord zou doen voor wat onnoozele schrabbers; de linksche, groen-grauw, mager als de dood. Wanneer een deur open-gaapte, joolde er vroolijk geloei van meezingers uit de zaal, onder aanwaaisels van drankgeuren, van roodkop-champagne en port; onder aanwaaisels van zang. Of er roezemoesde doffe branding en gonzing van zatte menschenstemmen mee. Dat Warmoes-straatsche bestaan, dat keuvelen met pernose-jongens en bikkers, met Specialiteiten, échte kermisklanten, als hijzelf in Amerika; dat koortsig-bekoorlijk konkelen met een boezemnaakte trapéze-werkster of goochelaarster, zou Sallie Blik nooit vergeten. De somber-helsche en vroolijk-helsche Warmoesstraat, die 's avonds pas heel geheimzinnig begon te gloeien, te leven en te tintelen met alsoorten valsch-groene, roode en gele lichten en lichtjes; tusschen flakkerende oranje lampions en transparanten; die nauwe straat met haar verbrokkelde uitgangen, in een warrel van gapend-duistere zijstegen en smerige sloppen, naar stillen Beurskant of Oudekerksplein, door Sint Annendwars-straat, waar óók weer, bij automatische orgels, liederlijk gedanst en gedronken werd, — bleef Sallie eeuwig in het opwindende geheugen.
Sallie had in de oude Warmoesstraat, Turksche
Schrabbers: duiten. — Pernose-jongens: misdadigers-wereld. — Bikkers: die van een meid's ontucht leven,