202
ging", uit „De Roode Leeuw", uit „Beurs-Bar" en „Grands-Concerts", uit kegelbanen, uit hotels, waar alkleurige lantaarns een lichtduistere tooverij van schaduwen en glanzen afwierpen. Geraas klonk er uit café-chantants, als draai-caroussels opgeflonkerd en opgesmukt met veel spiegels, veel goud en starren... terwijl het groot-wereldsche „Krasnapolsky" de fatsoenlijke burgerij bij zwermen opslokte en lokte door muziek en zang.
Sallie hield dolveel van de rumoerig-donkere Warmoesstraat met haar smeuïge clandestiene sigaren-zaakjes; met haar lichtekooien, dievenmeiden, kasteleins, uitspattende boemelaars, lallende en zingende zwabber-studenten en slet-waardinnen. Het óverschel-witte gloeikousjes-licht was een heldere gids. Daarom vestigde hij er zich op een kruispunt, in een klein, duister winkeltje vlak bij een gokbajes, met veel aanloop van Oudekerksplein, O. Z. Armsteeg en Lange Niezel; als het ware tusschen schooierige sujetten, die met breekbeitel en bosloopers handiger manoeuvreerden dan hij met zijn onnoozele zakdoek. Maar zij konden hem nog meer vertellen!
Sallie Blik was toendertijd verzot op verhittend Warmoesstraatsch nachtleven en gokbajessen, al werd hij er gauw moe en warm van en al rook het er meestal naar smeulende turfbakken en miegtieyssen. „De Rijkshalle" scheen een poos Sallie's logement. Vooral bij snijdende nachtguurte. Hij at er fijner dan bij Ledeboer zijn zelf-meegebracht broodje-pekelvleesch-met-mosterd. Sallie verslond de „nummers der café-chantants. Hij staarde zich tranen op acrobaten-affiche's en aanplakbiljetten, en hij kende de geüniformeerde portiers als zijn zak. Hij kende hun trucs en listen tegen dofgajes, hun lokkracht en lage uit-kleederijen van bezopenen, bij drinkgelagen, in sluw
Gokbajes: speelhol. — Miegtieyssen: waterbakken. — Dof■ gajes: leden van de Recherche.