201
flitsen. En als échte Jehoede, rilde hij van een galf. Er stonden verborgen, ongure slaapsteê's; obscure Ghineesche logementjes, met boosaardig-verraderlijk beeldschrift op vuile ruiten, vlak tegenover keurige, groote, blinkend-heldere middenstandshötels. Er drongen vuns-armoedige kitjes, beruchte ouweklare-roofholen, sjaskelbaj essen en stikdonkere klappers bijeen, tegenover deftige piano- en orgelmagazijnen en plechtig-stille boekdrukkerijen. Het was de oude Kerkstraat van beurtschippers; van Vondel, waar de dichter in ״De Trouw" zijn kousennering bestierde. Het was ééns buurt van gegoede burgerij, maar later ook van liederlijke temeijes. Het was er niet zóó adembeklemmend als in de Nes; zoo snotterend van opgedirkte tingeltangels; zóó dicht opeen, dat de uitsmijterportiers, met de roepstemmen om binnen-te-gaan, elkaar wurgden... In de Warmoesstraat verknoopten zich de wegen veel warreliger. Sallie was er, om zoo te zeggen, overal tegelijk. Vlak bij politie en brandweer, onder den rook van het Y, in de haven. Ook vlak bij een Bank van Leening. Hij was op Geldersche-kaai, op Voddenmarkt zoo goed als op Slijpsteenen en in Lange Niezel. Op Achterburgwals en Damrak zoo goed als op Oudekerksplein en in Nes. Hij voelde er zich thuis, alsof hij zwierf in Vinkenbuurt en op Vlooienburg; zóó eigen en ingeburgerd.
In de oude Warmoesstraat van zijn jeugd, bloeide handel in groote, hooge, donkere huizen, en bloeide andersoortige handel in halfduistere kelbierinnen-café's, waar schaarsche gaskroontjes geel flakkerden. Hij bloeide achter donkergroene gordijntjes, in stampvolle bierknijpen, groezelige kroegen en geheime rendez-vous. De sletten, in rood of zwart fluweel, in roze blousen met vermiljoenen linten in het kapsel gestrikt, scholen er half wég en tikten op de ruiten... Heet geraas klonk er uit ״Alcazar", uit ״De Vereeni-
Galf: mes. — Sjaskelbajessen: gemeene kroegen. — Temeijes: lichtekooien.