200
voor een schandelijk-luttel sommetje het zich laten ontronselen.
Eindelijk, op zijn achtentwintigste jaar, nerveus, ontgoocheld, angstig en opgejaagd, was hij weer, vermurwd van heimwee, naar het geankerd Y, naar Groot-Mokum teruggekeerd om zich in de Warmoesstraat te vestigen in een éénraams-winkeltje, druk-en-bont opgestapeld met wat kras-exotischen rommel, moeizaam uit Amerika meegebracht. Sallie noemde het kriebelig ,,barok-kuns", Chinoiserie, slinger-bocalen, damast, porcelein, karpetten, neger-teekeningen en Indianen-krijgskleedij. Hij had er maanden voor krom-gelegen, maar het zou meer dan mondkost opleveren.
Sallie hield van de Warmoesstraat; het meest nog van het gedeelte naar de Sint Olofspoort, de vroegere Oudezijds Kerkstraat. Tegenwoordig verstild, haast uitgestorven, was er vijfendertig jaar terug nog een broeische brand van wellust; van woest en uitgelaten deernenvertier door Nes en somber-duistere Rue de Pejé, met haar moordzieke speelholen, waar de rijksten soms om sof gingen. Er brak altijd krijschend kroegen-rumoer los en er dwarrelde volóp Amsterdamsch nachtleven binnen, heesch, schor, gierend als in de Rembrandtkuil.
Sallie Blik kende de enge, vochtige Warmoesstraat, toen er nog allerlei gemeen volk huisde; toen vele Amsterdammers uit ver-liggende wijken, en provincialen, op plezier belust, er 's avonds hun wrang genot zochten. Deftigheid nestelde er vlak naast schuwe misdaad en slecht-befaamde schavuiten, die alleen verminkte dieventaal broddelden. Breede perceelen ingericht voor kantoren van grootbedrijf, rezen vol stijl, met gevelornamenten, hoog boven en tusschen schunnige, groen-scheemrige herbergjes waar souteneurs, inbrekers, jatters, roofaanvallers en brandstichters saamhonkten en waar hij vaak akelig, koudjes zag
Om sof gingen: uitgeplunderd, afgemaakt werden. Jatters: dieven. — Koudjes: messen,