199
Onverklaarbaar, op een morgen, keerde zijn gestel. Hij beterde langzaam. Van het valongeluk hield Sallie bloedspuwingen over. In wanhoopsangst dong hij, weer te New York, naar alle baantjes. Beurtelings werd hij beroepsgokspeler, goochelaar, bierknecht in een doggery, een gemeene kelderkroeg. Op zijn kaartjes liet hij drukken: van de Vijfde Avenue. Toen liep hij een ״overjas" tegen het lijf, een kerel-handelaar in blanke slavinnen, die hem wou pressen voor zijn zaak te werken. Maar van die smeerlapperij rilde Sallie. Eindelijk dook hij op als marskramer; kon hij heimelijk toegeven aan zijn heeten hartstocht voor het vinden van antieke dingen en oude schilderijen.
Ook in New York had Sallie tallooze musea bezocht en hier en daar wat vluchtige teekeningetjes gemaakt; onooglijk, flodderig knoeiwerk, dat hij altijd in zichzelf met teedere aandacht en beschroomde zelfbewondering, stillekens herdacht. Sallie had in het ontzachlijk Amerika veel geluk; maar nog meer ongeluk. Het land was té groot, te krioelend van schepselen. En ook was hij diep-in bang voor al die gruwelijk-benauwende kloven; al die stuivende bergen en al die smoordonkere, oude wouden; al dadelijk bij Sabbath-Day Point. Ook in de geweldige steden verzonk Sallie en ze brachten hem gaar geen mazzel. Al mijmerde hij wijsgeerig,... Sallie heeft aan alles niet genoeg en aan niks alles genoeg!...
Nauwelijks bemachtigde Blik, na velerlei trucs en listen, tusschen het bieden op een hoopje geschonden Chineesch lakwerk, een oud schilderijtje van een Italiaansch meester, — naar hij onweerlegbaar toetste aan de „krakkeluur"; ja, Sallie had daar experts nooclig,... die konden „haarlie eigens" voor zijn part netjes aan een draadje ophangen, — of hij moest, door wrange armoede geprest, er weer afstand van doen en