197
wichelroe-instinct van Saliie BMk. Nimmer je laten terneerslaan; altijd ijzeren man blijven, al groeiden de zorgen boven je hoofd, zoo hoog als de Zuijertoren... Immer gissen, bevroeden, omwoelen, van stengel tot stengel, van blad tot blad, van bloem tot bloem. Altijd geduld, rust; je overal inwringen. Alles doorsnuffelen, altijd snuffelen naar bijzonderen geur van antiek en je dorst lesschen aan ,,vondsten", tot je de angst om het hart sloeg; tot het koude zweet je op het voorhoofd plakte, wanneer je „beet" had. Dan het zinnen, het gevondene los te krijgen uit arglistige klauwen, die niet wisten, maar alleen gisten. Alleen door die macht, die gave, reed hij later in een Hofrijtuig, onbeschrieje niet van al zijn bronzen leeuwtjes, zijn Indische borduurwerken, maar wel zijn Hondecoetertje....... wat een
pluimen! As-ik-u-zeg, spezimen uit 's mans besten tijd... Nee, nee, helaas niet gesigneerd. Maar wat be-teekende dat? De grootste schilders hadden hun mooiste stukken ongeteekend gelaten. Juist fijn voor kenners. Zie toe,... zijn goddelijk Jan Steentje, geheel eenig spezimen... half gesigneerd. Kijk u eens an die kegelaars? Wat-zeg-u? Copie?... Dat copie! Ha-ha-ha!... In het Museum was het copie, heelegaar bruin-
gezogen en gesopt...... Hij, Sallie Blik uit de Onkel-
boerensteeg, hij had de échte. Hoor maar... de galm-klokken luien er op!... Zie maar, ruik maar, voel maar
het plemuur! Steenharde verf!...... Was hij nou een
bloeddrinker van zijn naasten?... Maar dan moest je er 's nachts ook van wakker blijven; van alles wat hij bedacht en beleefde.
II.
Als verver en beeldhouwer op een steenhouwerij, was Sallie al heel vroeg mislukt. Zonder veel benul, stond hij toen, onverklaarbaar voor zichzelf, op