190
dellijk verbluffend-brutaal herkende en vaststelde, in luttelste details en bijzonderheden.
Sallie had als jongen zelf een ״pietsie" geschilderd
en gebeeldhouwd. Geschilderd, nou ja,...... bij een
grofverver; gebeeldhouwd, nou ja...... bij een rood-
harigen zerkenmaker. In de steenhouwerij, op de Prinsengracht, was Sallie al heel jong, leerlingetje geweest. Maar van verver klom hij tot kunstschilder op en van zerkentiller, sjouwer van zware steenblokken, saamveger van gruis en puin...... tot beeldhouwer. Zijn vader en moeder woonden toendertijd in het duistere Ghetto op krioelend Valkenburg, in de Markensteeg. 's Avonds, na het eten, ging Sallie vooral 's winters op zoek naar schimmelige hoekjes, waar vroeger vele scheepstimmerwerven hadden gestaan en het zoo lekker naar teer rook. Hij slenterde en doolde schuw rond in snijdingen, sloppen en krotten van de Houttuinen; op het donkere Rapenburg en in de eindelooze Valkenburgerstraat; op Markengracht en kniezend Boltensgrachtje, om te neuzen en te snuffelen bij kennissen, bij sluwe ramschers, nego-cianten, op zolderpakhuizen, in onderkrotjes en loodsen, tusschen houtzagerijen en schipperijen. Hij koekeloerde naar gehavende stoeltjes, kruiken, stoven, versmade meubelbrokken, oude doozen en bakken, oude spiegels, oud koper, oud tin, oud ijzer. Zelfs tallooze vuilnishoopen doorroerde hij met een haak-pook; vooral het slop Steenwerf, dat een walmend-rosse buurtbelt was geworden. Hij had, meende Sallie, onfeilbaar vind-instinct en blind mazzel. Hij zou nog eens onder een pleziertrein geraken van louter bof-geluk... Op de Houtkoopersburgwal had hij tot tweemaal toe iets gevonden: een ouden knol, horloge in omhulsel, en een echt antieken gesp. En op de Oude Schans een portemonnaie met lommerdbriefjes, vlakbij den waterkant. Die avontuurlijke kansen waren later,
-1—
Mazzel: geluk.