ZESDE HOOFDSTUK.
I.
Sallie Blik, antiquair, inkooper, verkooper van Old Masters, van oude Engelsche, gekleurde en zwarte prenten, van oude kroontjes, meubeltjes, karpetten, oud koper en brons, oude boeken, oude munten en... ouden rommel, was ten leste vergroeid met zijn winkelhuisje, roestrood-geverfd, dubbel bestoept, donker, vooroverhellend, smal en wrak, in de spookvale, enge Onkelboerensteeg.
Vroeger had Sallie alleen voor- en achterzolder van het krotpand in huur, — ,,bivouac" door hem ge-heeten, — toen hij bovendien nog een vliering-bergplaats op de Oudezijdskolk bevolkte met antiek. Al wat te scheep kwam naar Amsterdam, lokte hij binnen. Ook Sallie's zwijgzame vrouw Debora en hun nóg stiller zoontje, — een heel broos kereltje van ruim twaalf jaar, met steenbleek, uitgemagerd gezichtje, beangstigend-wit voorhoofd, maar in het doodswitte kopje twee heel groote, bruine droomstaaroogen, waarin een wonderlijk vuur geheimzinnig sintelde, — leefden er onopgemerkt en verzonken voor de sahaarsche ׳buren; al vertelden kwade tongen, dat Sallie Blik ook déze nog poogde nakende piek of knaak den zak uit te troggelen. Zoolang Sallie Blik zichzelf kende, was hij een hartstochtelijk handelaar, — hatelijke lui scholden beleedigend: ramscher, kratsjager en zwendelaar, — geweest. Zijn hoogste liefde ging uit naar alles wat antiek, „oud antiek" was of heette. Sallie loerde vooral op oude platen, op schilderstukjes en alderlei zonderlinge kunstvoorwerpen. Hij had in zijn jonge jaren heel veel met